Wandelen met Laurie Anderson
Wandelen met Laurie
Ik heb bij de Bijenkorf afgesproken met Laurie Anderson, voor een interview. Ik weet dat Laurie een Amerikaanse experimentele performancekunstenaar is die ooit een wereldhit had met een heel apart nummer, O Superman. Haar nieuwe voorstelling heet Delusion, en gaat over hoe we onszelf voor de gek kunnen houden met droombeelden. Tenminste, dat denk ik.
Ik sta er op de afgesproken tijd, maar Laurie is nergens te bekennen. Na tien minuten zie ik haar ineens langslopen. Ze wandelt samen met iemand de Dam op. Ik haal ze in en stel me voor als de journalist. ‘Aah, ja’, zegt Laurie, en loopt weer verder. Ik besluit mee te lopen. De man naast haar blijkt een oude vriend. Ze zijn op weg naar zijn galerie, die hij aan Laurie wil laten zien. Laurie en de vriend praten een beetje bij. Ik kijk naar Laurie, een mooie vrouw. Op leeftijd, denk ik, maar met prachtige heldere ogen en vrolijk kort haar dat in plukjes op haar hoofd danst. Het regent een beetje, daarom heeft ze haar capuchon over haar hoofd getrokken. Ze draagt sandalen met daarin twee verschillende sokken.
De vriend heeft besloten om haar ook wat van de stad te laten zien. De eerste stop is een Tibetaanse winkel. ‘Dit was de eerste plek waar Lou heen ging toe hij hier de laatste keer was’, zegt de vriend. Hij bedoelt Lou Reed. Dat is de man van Laurie, ze zijn in 2008 getrouwd.
‘Ah yes’, zegt Laurie op een toon alsof Lou een van haar vele fans is, en stapt dan de winkel binnen. Ik vraag haar of ze de Dalai Lama wel eens heeft ontmoet. Jazeker, zegt ze. Ze heeft eens een lezing gegeven waarbij de spiritueel leider ook aanwezig was, vertelt ze. ‘Toen had ik trouwens mijn eerste en enige hallucinatie. Ik was net klaar met spreken en keek de zaal rond. Iedereen was een zachte, donzige beer geworden. Ik knipperde even met mijn ogen, maar dat hielp niet. Iedereen was nog steeds een beer.’
We lopen richting het Spui. Laurie vertelt dat ze is geïnspireerd door Tibetaanse geestelijken, die in 49 dagen een soort van verlichting bereiken. Laurie zegt: ‘Vorige week was ik jarig, precies 49 dagen nadat mijn hond was overleden. Wat een raar toeval he?’
Bij het Spui staan we weer even stil. ‘This is the statue of the lovely one. People used to dance around it during the sixties’, zegt de vriend. ‘Aaah’, mompelt Laurie, terwijl ze op haar mobiele telefoon kijkt. Er is een sms van haar manager, die zegt dat hij haar over vijf minuten op komt halen bij de galerie.
In de negen straatjes heeft de vriend het tempo er flink ingezet. Eindelijk zijn Laurie en ik even met zijn tweeën en kan ik aan mijn vragen beginnen. Maar Laurie is me voor. Waar kom je vandaan, vraagt ze. ‘Uit Ruinerwold’, antwoord ik, ‘in the farmland’. Laurie zegt dat ze ook op het platteland is opgegroeid. Gebroederlijk lopen we langs de grachten. Twee plattelanders. Het moment wordt echter wreed verstoord door de vriend, die meent dat Laurie een kaaswinkel moet zien. Binnen snuift Laurie de kaaslucht op. ‘Dit is pas hallucinerend’, zegt ze met een knipoog.
De vriend snelt vooruit naar zijn galerie. Ik vraag Laurie of ze echt maar één keer een hallucinatie heeft gehad. ‘Ja’, zegt ze, ‘behalve als je nu meerekent.’ ‘Nu’, vraag ik. Ze kijkt even naar me en zegt: ‘Weet je, doordat ik zoveel reis en zoveel afspraken heb, heb ik achteraf nooit een goed beeld van een ontmoeting. Mijn verwachting van de ontmoeting mengt zich dan met de echte ervaring.’
Ik vraag me af wat ze bedoelt, en of het ook op deze wandeling betrekking heeft. Gebruikt ze die ervaringen ook voor haar voorstellingen, vraag ik. ‘Mijn voorstelling bestaat uit korte verhalen, en de meeste heb ik gewoon opgepikt in mijn omgeving. Eigenlijk ben ik een journalist, maar dan zonder punchline. Alle journalisten gebruiken altijd aan het eind een mooie slotzin, maar dat vind ik zonde. De wereld is zo chaotisch, zo gek, zo ongeorganiseerd. Niks eindigt met een punchline.’Terwijl ik dit overdenk gaat Laurie verder. ‘Je moet ook niet teveel ironie gebruiken in je teksten, dat is zo makkelijk en het levert zo weinig op.’ Mijn eerste kritische vraag dient zich ineens aan. ‘Maar je gebruikt toch zelf ook heel veel ironie in je werk’, zeg ik stellig. Dat heb ik ergens gelezen. ‘Ik zei toch niet dat ik perfect was’, en een mooie ironische lach verschijnt op Laurie’s gezicht. Om de stilte te vullen gooi ik er maar een cliché in. We zijn allemaal mensen, zeg ik.
‘Dat weet ik niet zo zeker’, antwoordt Laurie.
In de galerie van de vriend hangen foto’s van veel naakte mannen en vrouwen. Black magic, heet de tentoonstelling. We staan even stil bij een vierluik. Elk beeld toont een foto van een penis die door een gat in de muur steekt. ‘Het is een klok’, zegt de vriend. Kijk maar naar de schaduwen. ‘Een “cock-klok”, grapt Laurie.
De manager van Laurie arriveert. Laurie moet naar het muziektheater om de show van morgen voor te bereiden. ‘Was er nog een vraagding van de blogger’, vraagt ze me. Ik schud van nee; eigenlijk ben ik wel tevreden. Buiten kijken de manager en Laurie nog even naar een reiger, en lopen dan al bellend naar de auto.
JEROEN VISSER
